Engelandvaart

Mislukte Engelandvaart

Johannes Friedrich Bert Timmers werd geboren te Hoek van Holland op 15 juli 1923 als zoon van Johannes Marinus Timmers en Elizabeth Labee en overleed te Den Haag op 28 oktober 1980. Hij trouwde te Rotterdam op 9 juli 1958 met Cornelia (Cocky) Grauss. Zij werd geboren te Rotterdam op 15 december 1921.
Toen Bertje vijf jaar was, verdronk zijn vader tijdens zijn werkzaamheden als machinist op de reddingsboot ‘Prins der Nederlanden’ (zie Timmerskoerier 2010-1).

In het Niod troffen we onder archiefnummer 295, inventarisnummer 29 het volgende aan:
Mislukte Engelandvaart
“Karl Hinterkopf was één van de bemanningsleden van de Duitse voorpostboot 812. Even tevoren had het patrouillevaartuig een sloep aangehouden waarvan de bemanningsleden er niet bepaald als zeelieden uitzagen. Toen de zes inzittenden door gewapende mariniers aan boord van het Duitse schip werden gehesen, herkende Hinterkopf één van de gevangenen. Het was de bakkersleerling Cees Kamstra uit Hoek van Holland. Zij hadden vaak een praatje gemaakt wanneer de jonge Nederlander brood aan boord van de voorpostboten bracht. Wat deed Kamstra midden op zee, samen met vijf kameraden? Voor het antwoord op die vraag was niet veel fantasie nodig. De inhoud van de sloep, koffers en proviand, wees niet op een dagje spelevaren. De Duitsers twijfelden er geen moment aan dat ze hier een groepje Engelandvaarders aan de haak hadden geslagen. Die conclusie was juist. In de nacht van 2 op 3 augustus 1941 waren de zes jongemannen, allemaal afkomstig uit Hoek van Holland en omgeving, in alle stilte vertrokken. Het lag in de bedoeling dat zij buitengaats op een afgesproken punt zouden worden opgepikt door een Brits marineschip dat hen naar Engeland zou brengen. De afspraak was gemaakt met behulp van een geheime zender, waarvan de antenne verborgen was in één van de schoorstenen van de kalkovens die tussen Hoek van Holland en ’s-Gravensande stonden. Het vernemen van de codezin ‘de sleutels draaien in het slot’ vormde het sein voor het vertrek uit Nederland, waar de grond voor het zestal heet onder de voeten begon te worden. Wim de Bruin, Koos Jansen, Bernard Tabben, Bert Timmers, Koos Riedijk en Cees Kamstra hadden allen wel iets te maken met illegaal werk.

In de nacht van 2 op 3 augustus 1941 werd de sloep losgemaakt en naar de grote schuur van Arnold Riethof gebracht, waar al het materiaal werd ingeladen. Daarna gingen de Engelandvaarders op weg. In het begin ging het redelijk goed. Er was afgaand tij en ze hadden de wind in de rug. Dat maakte het roeien – het zeil bleef vanwege het risico van ontdekking voorlopig gestreken – wat gemakkelijker. Zo ging het over de Nieuwe Waterweg richting zee en richting voorpostboten. Maar het was die nacht zo donker dat zelfs de contouren van de schepen niet zichtbaar waren. Eén keer werd aan boord van een schip een deur geopend en scheen er korte tijd een fel licht over het water. Er gebeurde niets …
Urenlang roeiden ze terwijl het weer slechter begon te worden. Vermoeidheid en zeeziekte plaagden de opvarenden. Om 6 uur ’s ochtends begon het langzaam weer licht te worden. Tot hun grote schrik was de Nederlandse kust nog steeds zichtbaar. Zelfs de vuurtoren van Ouddorp was met het blote oog te zien. Wat zou er gebeuren als iemand met een sterke verrekijker naar hen keek?
Helaas bleek die vrees niet ongegrond. Op de vuurtoren dacht men drenkelingen te zien en daarom werd de Kriegsmarine gewaarschuwd. Even later kregen de Engelandvaarders een voorpostboot in zicht. Zo behoedzaam mogelijk, ze werden vast al geobserveerd, werd de koffer met belastend materiaal over boord gewerkt, die maar tergend langzaam zonk.
Aan boord van het Duitse schip moesten ze plat op het dek blijven liggen. Tegen alle voorschriften in maakte Hinterkopf er een paar foto’s van.

De zes Engelandvaarders werden onderschept en aan boord van een Duits schip gehesen.(foto NIOD).

Tegen acht uur meerde het schip af in de Berghaven in Hoek van Holland. Daar volgde een eerste verhoor door de SD. Vervolgens ging het zestal naar het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen. Geen van allen lieten ze het achterste van hun tong zien, zodat hun helpers op de wal buiten schot bleven. In april 1942 volgde het proces, waar ze beschuldigd werden van steun aan de vijand en ongeoorloofde grensoverschrijdingen. Ze kregen allen zware straffen.”

De rest van de oorlog verbleven de Hoekse Engelandvaarders in gevangenissen en concentratiekampen.

Bert Timmers kwam in het concentratiekamp Natzweiler terecht.
Nacht und Nebel, Nuit et Brouillard – Natzweiler.

De woorden horen bij elkaar en verwijzen naar de verdwijning – in nacht en nevel – van mensen die om hun verzet tegen het naziregime waren gearresteerd. Niemand wist waar zij bleven. Dat ze in Natzweiler waren opgesloten, betekende niet alleen figuurlijk dat ze onzichtbaar waren, maar ook haast letterlijk. Het concentratiekamp Natzweiler-Struthof werd in gebruik genomen op 21 mei 1941 en was met sadistisch raffinement gesitueerd op de noordhelling van een achthonderd meter hoge bergtop in de door Hitler geannexeerde Elzas.

Het kamp deed zijn faam recht: nevel en duisternis waren er vaste gasten. Een Frans gedenkboek vermeldt onder ‘climat’ dat er in de lange winters een ijskoude snijdende noordoostenwind waaide, die behalve mist ook regen en sneeuwstormen bracht. Zelfs in mei kon het er nog sneeuwen. Die kou werd door gevangenen als een grotere kwelling gezien dan honger; anders dan honger kon je kou niet even vergeten.

Tekening gemaakt door Henri Gayot

Het kamp lag ver van de bewoonde wereld. De bewoners van het stadje Rothau, waar de gevangenen per trein arriveerden en lopend of per vrachtwagen naar het kamp werden afgevoerd, moeten hebben geweten dat daarboven aan het eind van de lange slingerende bergweg nabij het vroegere skioord een kamp was ingericht. Maar wie de plek nu bezoekt, realiseert zich dat hij na een bepaald moment op de langer kronkelweg bergopwaarts, nergens meer dorpjes, woningen of boerderijen ziet – nergens nog mensen. Vanuit het kamp is diep in het dal het stadje Schirmeck zichtbaar, onwerkelijk als een miniatuur. Deze verre leegte bezorgde veel gevangenen een gevoel van alles en iedereen verlaten te zijn. En dat was de bedoeling.

Toen in het najaar van 1944 de geallieerde troepen de Elzas naderden, werd het hoofdkamp Natzweiler ontruimd. Dat is dus nooit bevrijd, wat een van de redenen is waarom het onder het publiek niet zo bekend is. (Een andere is dat het kamp niet in Duitsland lag). Er is geen datum waarop jaarlijks een bevrijding wordt herdacht en er zijn nooit geallieerden binnengemarcheerd, met in kielzog persfotografen die werden geconfronteerd met een uitgemergelde kampbevolking en stapels lijken, zoals in Dachau en Bergen-Belsen. Met die ontruiming werd de hoop op een spoedige bevrijding de grond in geboord. De meeste Nederlanders werden via een verschrikkelijke treinreis overgebracht naar Dachau. Anderen beleefden, na niet minder vreselijke transporten, hun bevrijding zo’n negen maanden later in onder meer Mauthausen of in een van de buitencommando’s van Natzweiler, zoals Vaihingen.
Bert Timmers werd ook naar Dachau vervoerd. Aankomst in Dachau 22 september 1944; bevrijd 29 april 1945.

Bert Timmers schreef later het volgende gedicht:

Dachau 1944
Ik wil je naam wel spreken

Ik wil je naam wel spreken
met je praten, dag en nacht
maar ik ben de taal vergeten
en de woorden die ik sprak

ik leef nu in andere tijden
in een duister niemandsland
waar ’t onnoemelijk lijden
mij doet zwijgen als ’t graf

huilen doe ik zonder tranen
want de bron is opgedroogd
dag is nacht is grijze nevel
mensen nummers, spraakloos

Alleen Tabben, Kamstra en Timmers bleven in leven en keerden uiteindelijk meer dood dan levend terug in hun door de Duitsers grotendeels afgebroken en verwoeste Hoek van Holland. Wim de Bruin, Koos Jansen en Koos Riedijk bezweken in de beruchte Duitse concentratiekampen.

Gevangen

Er is geen mogelijkheid
Te vluchten uit de tijd

Gedragen door de geest van lang geleden
Beleef ik toen in ’t heden

Bert Timmers

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.