Het logement

Het logement van Bertha Robben-Timmers

Adriana Huberta (Bertha) Timmers, geboren te Weert op 14 oktober 1887 als dochter van Lambertus Timmers en Anna Maria Rekers en overleden te Arnhem op 17 juni 1958. Zij trouwde met Hubertus Robben uit Sambeek. Hij werd geboren op 5 februari 1885 en overleed te Dieren op 28 oktober 1946. Dit echtpaar kreeg tien kinderen waarvan er een slechts 19 maanden oud werd.
Vroeger werd in de grensstreek vanuit ons land menig paardje naar de overzijde, naar Duitsland, gesmok¬keld. Ook Hubert Robben was hierbij betrokken en nadat hij de pech had gesnapt te worden, kon hij beter met zijn gezin het dorpje Sambeek verlaten.

Het gezin vertrok naar Dieren waar familie Rekers (de moeder van Bertha was immers een Rekers) een logement had dat zij over konden nemen. Dat wil zeggen Bertha Robben-Timmers zwaaide voortaan de scepter in het logement want haar man Hubertus ging bij boeren in de buurt werken en zo af en toe ook een schip met kolen helpen lossen. Verder werkte hij op hun eigen stuk grond waar voornamelijk groenten voor de gasten geteeld werden. De familie Robben had ook enkele varkens en twee koetjes. De varkens waren voornamelijk voor eigen slacht. Na het slachten werden altijd eerst de lekkerste stukjes gebracht naar de pastoor, dominee, politieagent en de commies. Dit waren immers mensen die je beter te vriend kon houden.

Het logement bood vooral onderdak aan mensen die met allerlei handelswaren langs de deuren trokken. Die handelswaren bestonden vooral uit bezems, stoffen, schoenen (uit de omgeving van Loon op Zand) en galanterieën. Maar ook kermisklanten en scharenslijpers vonden hier een welkom onderkomen. Meestal bleven deze lieden zo’n veertien dagen en nadat ze uitgewerkt waren in de regio, trokken ze weer verder. Moeder Bertha had ook een goede handelsgeest. In de grote kamer bestond één wand geheel uit kasten met galanterieën. De rondtrekkende handelaren konden dus niet alleen overnachten maar tevens hun inkopen bij haar doen.
Op de Veluwe werd ook veel hout gekapt dat in de mijnen in Limburg gebruikt werd om de gangen te stutten. Zo’n ploeg houthakkers uit Limburg bleef dan meestal een half jaar in het logement. Verder was er een mollenvanger uit Friesland die regelmatig kwam en die achterin de schuur een eigen afdeling had met plankjes waar de velletjes op gedroogd werden. En dan was er ook altijd een vaste groep kostgangers. Meestal waren dat vrijgezellen die op een van de fabrieken in Dieren werkten en geen geld genoeg hadden om in een duur pension te gaan. Zoon Henk Robben vertelde: “Er waren erbij die wel zo’n 25 jaar bij ons zijn geweest. Zij genoten volledig pension en hielpen moeder vaak met aardappelen schillen en werkten ook mee in onze groentetuin. Tijdens de drukste periodes waren er soms wel zo’n 35 mensen bij ons te gast. De hele zolder was omgebouwd tot slaapzaal. Dat wil zeggen door middel van gordijnen waren er chambrettes gemaakt. In het bijgebouw waren vervolgens ook nog eens 14 slaapgelegenheden en wijzelf sliepen beneden in het huis. Daar had je ook de grote kamer met lange tafels waar door iedereen gegeten werd. Achter het huis was de wasgelegenheid. In het begin hadden we water uit de put, later werden daar 4 of 5 kranen gemaakt. Het was daar wel lekker fris zo half in de buitenlucht maar je wist niet beter.
Mijn moeder was eigenlijk een heel sociaalvoelend mens die nooit iemand zonder eten wegstuurde. Soms kwam er wel eens iemand die ze liever niet onder haar dak had. Dat waren bijvoorbeeld mensen met een crimineel verleden. In samenspraak met de politie en gemeente werd er vervolgens afgesproken dat ze zo iemand 35 cent gaf voor een treinkaartje. De gemeente was zo’n persoon natuurlijk ook liever kwijt dan rijk. En als er iemand kwam waarvan ze vermoedde dat hij weleens inwoning (luizen of vlooien) had, zette ze hem naast de kachel met een snee brood. Als haar vermoeden juist was, kon je aan zijn bewegingen zien dat hij ‘niet alleen was’. Zo’n persoon kreeg na zijn boterham ook vaak een paar centen mee voor de trein.
Eenmaal per jaar gingen we twee of drie dagen met de trein naar Deurne en Helmond op familiebezoek en dat was onze vakantie. Later toen mijn broer auto kon rijden gingen we vaak naar de Deurnese kermis.”

Op het huis hing een bord met Verlof B, dat betekende dat er slechts alcoholvrije dranken geschonken mochten worden. “Maar een flesje bier kon natuurlijk wel. Tijdens de mobilisatie voor de Tweede Wereldoorlog kwamen ook vaak soldaten, die de IJssellinie moesten bewaken, bij ons een flesje bier halen. Dat was best gezellig, er werd dan volop gekaart en vooral als er dan ook nog een logé met trekharmonica aanwezig was, was het dolle pret. Tijdens de oorlog hadden we ook enkele onderduikers: mannen die niet in Duitsland wilden gaan werken en een Joodse vrouw. Je moest ’s avonds wel een briefje met de namen van de logés bij de politie afgegeven, maar zij stonden er natuurlijk nooit op. En omdat het bij ons toch altijd druk was, vielen die paar niet op.
Mijn moeder heeft werkelijk dag en nacht gewerkt want ze deed alles zelf. Maar haar werken was niet voor niets. Niet alleen bood ze een goed thuis voor vele mensen maar nadat ze in 1956 stopte met werken, bleek ze er toch zes huizen aan over gehouden te hebben.”
Niemand van de kinderen heeft de zaak voortgezet. En zo kwam er dus een einde aan het logement Robben in Dieren.

Het gezin Robben-Timmers.
V.l.n.r. Staand: Rita, Bart met voor hem Henk, Piet, Anna, Bertha, Johan met voor hem Antje en Janie. Zittend: Hubertus Robben en Adriana Hubertha (Bertha) Robben-Timmers.

Bertha Robben-Timmers

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.