Zuster Bellina

De Tweede Heesche Tak

Zusters onder de Bogen.
Officieel heten ze ‘Liefdezusters van de Heilige Carolus Borromeus’ maar ze zijn beter bekend onder de naam ‘Zusters onder de Bogen’. Het huidige klooster is namelijk door twee bogen verbonden met de Sint Servaaskerk te Maastricht en zo ontstond deze tweede naam.
De stichteres van de Congregatie was Elisabeth Gruyters. Zij werd geboren op 1 novem­ber 1789 in het plaatsje Leut in België.
Hoewel ze tegenwerking had te verduren en teleurstellingen haar niet bespaard bleven, zette Elisabeth door om haar doel te bereiken. Eindelijk kwam vanuit Rome de pauselijke goedkeuring van de Constituties en Statuten en hiermee was de stichting van de Congrega­tie van de Liefdezusters van de H. Carolus Borromeus op 24 april 1837 een feit. De H. Carolus Borromeus was tot patroon gekozen omdat hij zich op meer dan gewone wijze had ingezet voor de bestrijding van de pest in Milaan.
De doelstelling van deze Congregatie luidt: “Wij willen onze apostolische opdracht binnen eigen land en daarbuiten waarmaken door onze inzet in de gezondheidszorg, onderwijs en sociaal werk ten dienste van de opbouw van de lokale geloofsgemeenschap­pen”.

Bij deze orde werd Christina Timmers, geboren te Heesch op 11 december 1889 als dochter van Antonius Timmers en Adriana van Venrooy, op 26 november 1911 ingekleed en op 26 november 1913 als zuster Antonine gepro­fest. Over haar werd geschreven: “Zij was een sterke, blije, eerlijke, actieve zuster, gesproten uit een vrome en kinderrijke Brabantse familie. IJverig en opgewekt probeerde zij heel haar leven de gewone bezighe­den te doen: gangen, trappen en vloer schoonhouden, naast haar taak als refter-zuster en verzorgster van ouden van dagen. Bij haar eigen taken vond zij nog vaak gelegenheid anderen een handje helpen”. Zij overleed te Maas­tricht op 16 mei 1955.

Zuster Bellina en Antoine en vader Antonius Timmers

Op 4 november 1922 werd haar zus Maria Timmers, geboren te Heesch op 25 november 1901, eveneens bij deze orde geprofest als zuster Bellina. Na haar professie was zij eerst zes jaar werkzaam in het ziekenhuis Calva­riënberg te Maastricht en daarna in Den Haag.

Op 5 januari 1927 vertrok zij naar de missie in toentertijd Nederlands Indië. We moeten bedenken dat in die tijd de algemene regel was dat zusters die naar de missie gingen nooit meer terugkwamen. Het was een grote opgave, niet alleen voor de vertrek­kende zuster-missionaris, maar ook voor haar ouders en verdere familieleden. Er was een Tweede Wereldoorlog voor nodig om deze stelregel op te heffen. In 1918 vertrokken de eerste zusters van deze orde naar Nederlands Indië. In verband met de Eerste Wereldoor­log ging deze reis toen via Noorwegen, de Atlantische Oceaan, Amerika, de Grote Oceaan en  Japan. De reis nam toen drie maanden in beslag. Later ging men met de trein naar Marseille om daar ingescheept te worden. Via het Suezkanaal kwam men in de Rode Zee en daar begon de tropenzon te plagen.
Een ander zeer onplezierige bezigheid was de storm. Het duurde dan meestal niet lang voordat de eerste slachtoffers vielen en binnen het uur wist praktisch iedere passagier wat het betekende om zeeziek te zijn. Na een kleine maand arriveerde men in Tandjong Priok, de haven van Batavia (nu Jakarta). En dan te bedenken dat een vliegtuig nu van Amster­dam naar Jakarta slechts 22 uur nodig heeft.

Zuster Bellina Timmers ging werken in het Sint Carolusziekenhuis in Batavia waar zij haar verpleegstersdiploma behaalde. Daarna was zij werkzaam in Bandung en Yogjakarta.

Op 8 maart 1942 kondigde de opperbevelhebber van het Nederlands-Indische leger, generaal Ter Poorten, in een dramatische proclamatie voor de radio van Bandung de capitulatie voor Japan aan. In één week was de strijd beslist. Op 5 maart werd Batavia bezet, op 6 maart forceerden de Japanse troepen een doorbraak in de hoogvlakte van Bandung, de belangrijkste KNIL-stelling, twee dagen later trokken ze Surabaya binnen en volde de Neder­landse capitulatie.

Zuster Bellina Timmers werd met haar medezusters tijdens de bezetting, gedurende de periode 1943 tot 1945, overgebracht naar het Japans kamp Tjihapit.
Ze staat in de kamplijst als volgt ingeschreven:
Timmers, M. (Zr Bellina)
female
kampnummer 19421
geboortedatum 25-11-1901

Dit kamp bestond uit huizen in een woonwijk in het noordoostelijk stadsdeel van Bandoeng (Bandung), begrensd door de Houtmanstraat, Groote Postweg, Magazijnstraat, Nassaulaan, Riouwstraat, Tjihapitweg en Tjiliwoengstraat.
Men verbleef in Europese huizen, vaak overvol en zeer primitief; er was nagenoeg geen meubilair, geen verlichting. Soms was er geen water, omdat de toevoer door leden van de nationalistische jeugdorganisatie was afgesneden.

Er was een gaarkeuken, men kreeg aanvankelijk voldoende eten; er waren Rode Kruis-pakketten; er was een pasar. Door de voedselboycot (oktober-november 1945) werd de voedseltoestand steeds slechter: in oktober was de toestand onvoldoende, in de tweede helft van november was de toestand slecht; eind december kwamen Rode Kruis­pakketten uit Batavia binnen.
De kampbewoners hadden recht op gratis hulpgoederen van het RAPWI-Rode Kruis (in tegen­stelling tot degenen, die buiten de kampen verbleven). De hulpgoederen bestonden o.a. uit kleding en schoeisel.

Deze jaren van ontbering waren oorzaak dat haar gezichtsvermogen meer en meer afnam. Volgens de doktoren heeft zij daar zogenaamde kampogen gekre­gen, hetgeen wil zeggen dat door gebrek aan vitamine het netvlies verwoest was en zij als gevolg daarvan heel slecht zag. In augustus 1945 was de oorlog voorbij maar door het bijna volledig ontbreken van het gezag in combinatie met acties van nationalisten die de Republiek Indonesia hadden uitgeroepen, was het aanvankelijk veiliger om nog enige tijd in het kamp te blijven. Namens de geallieerden bleven de Britse troepen in Indië totdat de Nederlandse bestuursambtenaren en militairen teruggekeerd waren. Zij maakten ook een begin met de eerste ontruimingen van de krijgs­gevangenen- en interneringskampen. Naar schatting werden sinds het begin van de oorlog ruim 70.000 Nederlandse mannen door de Japanners krijgsge­vangen gemaakt. In aparte kampen verbleven bovendien nog eens rond de 75.000 Nederlandse vrouwen en kinderen.

Op 13 oktober 1945 verklaarde het Indonesische volksleger officieel de oorlog aan Nederland. “Wanneer de zon ondergaat, zijn wij, het Indonesi­sche volk, in oorlog met de Nederlanders”. Duizenden Nederlandse militai­ren werden naar Indië gestuurd. Bij het akkoord van Lenggadjati op 15 november 1946 werd alleen de soevereiniteit van Java, Sumatra en Madoera door de Nederlandse regering overgedragen. Op 27 december 1949 werd te Amsterdam door Koningin Juliana het verdrag ondertekend waarbij de Neder­landse regering de onafhankelijkheid van Indonesia erkende. Ook in Jakar­ta, de nieuwe naam voor Batavia, vond tegelijkertijd een plechtigheid plaats. De Nederlandse driekleur werd gestreken en het Rood-Wit van de nieuwe Indonesische Staat werd gehesen.

Na de oorlog en het kampleven keerde zuster Bellina Timmers naar Jakarta terug waar zij een opleiding aan een vroedvrouwenschool volgde en vervol­gens gedurende twintig jaar als vroedvrouw aldaar werkzaam was. Daarna heeft zij, samen met zuster Iris de Groot, een nieuw zusterhuis in Tanjung Priok opgezet.

De meeste mensen in Tanjung Priok woonden toen bij de haven in verschillende kampongs (woonwijken) en hun leefomstan­digheden lieten nogal te wensen over. In 1959 kwam hier het kraamkliniekje St. Joseph met 10 bedden, maar de leiding wisselde erg vaak. De bisschop vroeg daarom hulp aan de zusters in Jakarta. Zij wilden wel, maar de afstand was te groot om een goed georgani­seerde gezondheidszorg en pastoraal werk op te kunnen zetten. De zusters Bellina Timmers en Iris de Groot kwamen op 4 november 1966 in Tanjung Priok aan. Op 8 september 1967 werd de eerste steen gelegd voor een zusterhuis achter het gebouwtje van de St. Jo­sephkliniek. Door de beperkte financiële middelen werd de bouw vertraagd en kon het nieuwe zusterhuis pas op 31 mei 1969 officieel geopend worden. Vanaf 1 september 1968 tot 1 januari 1969 was zuster Bellina overste van dit huis.

In 1953, dus na 26 jaar, kwam zij voor het eerst voor twee maanden met verlof naar Nederland. In 1965 voor de tweede maal en in 1971 keerde zij voorgoed naar Nederland terug, maar zij voelde zich nog te jong om niets meer om handen te hebben. Ze ging nog enkele jaren in het klooster in Elshout als portierster en gastvrouw werken. Daarna, in 1979, toen zij 78 jaar oud was, ging zij naar Rijckholt om van haar welverdiende rust te gaan genieten. Hier overleed zuster Bellina (Marietje Timmers) op 18 april 1989.

Zus Grada schreef voor de afscheidsdienst:
Lieve zus Marietje, hiermee wil ik afscheid van u nemen. Je was een goede zus en een lieve zuster die zeer veel voor de mensen gedaan heeft.
Ik denk aan die 40 jaren dat je in Indië was en die tijd dat je in het Jappenkamp zat, veel heb je meegemaakt maar je was moedig en sterk.
Ik heb je altijd bewonderd en ik was zeer blij toen je voorgoed terug kwam naar Holland.
Gelukkig zijn we nog diverse jaren samen geweest en je hebt mij vele malen kunnen bezoeken samen met zuster Salomea. Dat deed me steeds veel plezier, nu kom je niet meer! Ik zal je erg missen, wij wisten beiden dat het eenmaal zou gebeuren, maar wie zou de eerste zijn?
Nu heb je rust en zul je wel in de hemel zijn want als iemand die verdiend heeft ben jij het.
Marietje gaarne zou ik hier bij jou aanwezig willen zijn om afscheid van je te nemen, maar helaas dat kan ik niet meer. Maar in gedachten ben ik bij je en ik zal je niet vergeten, daag.

 

De beroemdste Indonesische actrice Miriam Bellina werd vernoemd naar zuster Bellina Timmers. Ten tijde van haar geboorte was zuster Bellina de vroedvrouw en de ouders noemden hun kind uit dankbaarheid naar de zuster.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.