Een taaie familie

Wim Timmers (91) uit Sint-Oedenrode wachtte in 2020 in de hospice op zijn laatste nacht, geveld door corona. Maar in plaats van tussen zes planken en via de achterdeur, verlaat Wim het pand na twaalf dagen via de vóórdeur. Lopend achter zijn rollator. Dat was ook voor de hospice een primeur. Zijn huisarts noemde het een wonder, Wim bedankt vooral zijn genen: „Mijn opa en oma waren 70 jaar getrouwd, mijn moeder is 100 geworden. Ik kom uit een taaie familie.”

Wie waren zijn opa en oma?

Bertje en Leentje voor hun huisje

In de Katholieke Illustratie van 15 februari 1952 kunnen we over dit echtpaar lezen:
“In een van de witte huisjes van de ‘Sint Paulusgasthuisstichting’ aan de Kerkstraat te Sint Oedenrode wonen twee oude mensen: Bertje en Leentje van Schijndel-van Oorschot, die op 20 februari hun zeventigjarige bruiloft hopen te vieren. Op de lage deur is een briefje met punaises vastgemaakt: “Voor pers en foto hiernaast”. Het werd te druk voor deze oude mensen. Bertje is in al zijn zesennegentig jaren nog nooit zo vaak gefotografeerd.
Het kleine huisje, waarin het echtpaar van Schijndel-van Oorschot woont, bestaat uit één kamer en een keukentje. Een linnenkast, een penantkastje met een verguld kruisbeeld en de beelden van Maria en Sint Jozef onder stolpen, een bruin geschilderde tafel, vier rieten stoelen en een plattebuiskachel vormen heel hun bezit. Het is alles wat hun rest na een lang leven van hard werken.

Bertje weet nog heel wat te vertellen van vroeger. Hij heeft pientere ogen en kan soms heel geestig zijn. Leentje, die twee jaar jonger is dan haar man, gaat rustig haar gang, maar volgt het gesprek en ze lacht heel even voor zich uit, als Bertje iets grappigs zegt. Ze trouwden in 1882. Het feest duurde tot ’s avonds negen uur. Toen zei de vader van Bertje: “Nou is het genoeg. We zullen nog even een rozenhoedje bidden en dan gaan we naar bed.” Een trouwfoto hebben ze niet. Die werden toen niet gemaakt. De enige herinnering aan die dag is voor hen de Brabantse trouwrok van Leentje, welke ze nog zuinig in haar kast bewaart. Het jak is al lang versleten, maar de rok is nog zo mooi, dat ze die op haar platina bruiloft hoopt te dragen. In die tijd verdiende Bertje drie gulden in de week op de klompenfabriek te Schijndel. Maar voor hij om zes uur op de fabriek kwam, had hij soms de pap voor die dag al verdiend door ’s morgens bij de boeren te gaan dorsen. Ook kon hij er wel eens een gulden bij verdienen met boerenwerk, maar dan moest hij ’s zaterdags zestien kilometer lopen naar Uden.

Van koning Willem III weet Bertje zich niet veel meer te herinneren, maar hij weet nog goed welk een opschudding het uitbreken van de oorlog van 1870 in Schijndel veroorzaakte. `Huilend namen de vrouwen toen afscheid van haar mannen die werden opgeroepen, maar na een maand waren ze al weer terug in het dorp.

Bertje en Leentje aan het kaarten

De twee oudjes zijn nooit ver van huis geweest. Eens is Leentje haar dochter in Den Haag gaan opzoeken, die daar in betrekking was. Bij die gelegenheid heeft ze koningin Wilhelmina zien uitrijden, een schouwspel dat haar altijd is bij gebleven.

Bertje en Leentje hebben elf kinderen gehad. Langzaam is hun nageslacht gegroeid; ze hebben vijfendertig kleinkinderen en veertig achterkleinkinderen. Ze wonen nu weer alleen, zoals heel in het begin van hun huwelijk. Leentje kookt haar eigen potje en houdt zich verder onledig met breien, terwijl Bertje hout zaagt voor de kachel en kleine karweitjes opknapt. Als het goed weer is, gaan ze naar de kerk, maar verder blijven ze binnen.”

De dochter die in Den Haag werkte, was Gijsberdina (Dina) van Schijndel. De familie van de Gouden Leeuw uit Sint Oedenrode, waar Dina werkzaam was, verhuisde naar Den Haag en zij ging met hen mee. En het is deze dochter die tijdens de kermis in Rooi weduwnaar Knillis Timmers ontmoette. Het klikte tussen die twee en op 3 februari 1928 traden ze in het huwelijk. Timmers had al twee kinderen uit zijn eerste huwelijk namelijk Stien en Broer en samen kregen Knillis en Dina ook nog twee kinderen: Wim en Bert.

De Sint Paulusgasthuisjes in Sint Oedenrode

Het Sint Paulusgasthuis te Sint Oedenrode werd in 1435 in opdracht van de echtgenoot van jonkvrouw Jutte van Erp gebouwd. Zij had in haar testament bepaald dat er een ‘gasthuis gesticht moest worden voor arme mannen of vrouwen’. Het gasthuis en de bewoners werden onderhouden uit de opbrengst van pachtboerderijen van de schenkster. In 1971 zijn de laatste bewoners vertrokken. De huisjes zijn daarna met elkaar verbonden en sinds 1975 is daar een gedeelte van de collectie Brabantse mutsen en poffers van Heemkundige Kring ‘De Oude Vrijheid’ tentoongesteld.

De huidige kruidentuin was vroeger de binnenplaats van de bewoners. In de lage schuurtjes bewaarden ze hun brandhout. Op het eind van de rij schuurtjes staat een huisje dat waarschijnlijk een bakhuisje was waar het brood gebakken werd en de was werd gedaan.
In deze tuin werden, onder grote belangstelling van nazaten en genodigden, op zaterdag 23 augustus 2008 bij het laatste huisje twee grafstenen onthuld en overgedragen. Het zijn de grafkruisen van Bertje van Schijndel en Leentje van Schijndel-van Oorschot.
De graven zouden geruimd gaan worden, maar aangezien het om een echt Roois echtpaar ging dat in 1952 hun zeventigjarig huwelijksfeest gevierd heeft en daarom zelfs de tv gehaald had, wilde men toch even wachten met het vernietigen van de kruisen. Kleinzoon Wim Timmers had ook al eens gevraagd aan het kerkhofbestuur om ze te bewaren, hoewel hij er toen nog geen plaats voor wist. In overleg met kerkbestuur, burgemeester (tevens voorzitter van de stichting Paulusgasthuisjes), wethouder van cultuur, heemkundekring en familie kwam men op deze binnentuin terecht. Het echtpaar Van Schijndel-Van Oorschot had de laatste tien jaren van hun leven hier namelijk gewoond. In 1945 kregen ze hier een woninkje aangeboden en het was ook hier dat ze hun 70-jarig huwelijksfeest gevierd hebben.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.